Menu

Lokale Integrale Veiligheidscellen: nood aan vertrouwen tussen partners

Er bestaat nog heel wat onduidelijkheid rond het statuut en de werking van de lokale integrale veiligheidscellen. Zijn ze verplicht? Wie zetelt erin? En wat gebeurt er met de informatie die er gedeeld wordt? De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw (VVSG) wil graag duidelijkheid bieden en bracht samen met Politeia een publicatie uit om de nieuwe gemeentebesturen te informeren. We spraken met Maarten De Waele, die meewerkt aan de handleiding. Hij is projectmedewerker bij VVSG voor de preventie van radicalisering.

02-01-2019 -

 "De pocket 'Hoe een lokale integrale veiligheidscel uitbouwen' richt zich tot de lokale besturen, maar kan natuurlijk ook handig zijn voor onder meer de sociale sector en politionele diensten”, legt De Waele uit. Want er is veel onzekerheid. Zeker bij de sociale partners heerst vaak wat scepsis.

Want wat is nu de taak van een LIVC? De Waele vat het kort samen: “De LIVC wordt omschreven als een instrument in de bestrijding van gewelddadige radicalisering. Want de veiligheidscel kan personen die zich in een radicaliseringsproces bevinden vroegtijdig detecteren en lokaal geïndividualiseerde opvolg- trajecten uitwerken.” Maar in de praktijk loopt het soms anders.

 “Het is al gebeurd dat preventiewerkers van gemeenten info aankaartten op een LIVC waarin de politie dan criminele feiten ontdekte. De politie gebruikte die info om een pv op te stellen, waarna de preventiewerker moest getuigen voor de rechtbank. Zoiets is natuurlijk dodelijk voor preventief opbouwwerk”, illustreert De Waele. Dat moet vermeden worden, gezien de LIVC’s ook in belangrijke mate een preventieve taak hebben.

Laten we starten bij het begin: van waar komen de LIVC’s?

“LIVC’s moeten radicalisering aanpakken met een ketengerichte aanpak. De overheid zag eerder al dat zo’n aanpak werkt voor bijvoorbeeld intra-familiaal geweld en wil een soortgelijke werking nu ook gebruiken tegen radicalisering, in het bijzonder die van Syriëstrijders”, weet De Waele.

Geen sancties

Maar zijn de LIVC’s verplicht? Als we er de media op naslaan, lijkt het dat gemeenten wettelijk verplicht zijn om LIVC’s op te richten. De waarheid is volgens De Waele echter genuanceerder, in die zin dat elke gemeente wordt aangemaand om een LIVC op te richten.

Het probleem lijkt te zijn dat er geen sancties aan verbonden zijn wanneer dat niet gebeurt. “Er staat niets in de wet over de samenstelling of het aantal zittingen. Als we er de memorie van toelichting op naslaan, wordt het nog vager. Er staat bijna letterlijk dat slapende LIVC’s ook conform de wetgeving zijn.”

Het klinkt bizar: de overheid beschouwt een ketengerichte aanpak van radicalisering als de beste manier om het probleem aan te pakken; de LIVC’s worden verplicht, maar het lijkt geen probleem als ze er toch niet zijn.

En dat is jammer.

“Uit de parlementaire onderzoekscommissie na de aanslagen van 22 maart blijkt dat niet elke gemeente van waaruit Syriëstrijders zijn vertrokken een LIVC had. Dat wil zeggen dat daar dus niet aan geïntegreerde trajectbegeleiding werd gedaan.” Het grote voordeel van een LIVC is dat deze de casussen zo breed mogelijk, over alle actoren heen, gaat opvolgen. Dat gebeurt dus nog steeds niet overal.

“Het feit dat het niet hard wordt verplicht om overal lokaal een LIVC in te richten, komt natuurlijk omdat veel kleine gemeenten helemaal niet met radicalisering geconfronteerd worden. De wetgever wil waarschijnlijk niet voor te veel administratieve last zorgen.”

Welke problematiek?

De VVSG voerde een onderzoek uit dat onder andere peilde naar de problematieken die de LIVC’s behandelen. Strikt gezien mag een lokale integrale veiligheidscel enkel actief zijn op vlak van radicalisering, terrorisme en extremisme. “Uit de bevraging blijkt dat er in 40% van de cellen naast signalen van radicalisering ook andere signalen van afwijkend gedrag worden besproken, terwijl dat nog niet geregeld is.” In deze beginfase moet de finaliteit van de LIVC’s nog scherper worden afgesteld.

Een andere discussie binnen veel LIVC’s is of de focus moet liggen op het preventief aanpakken, of op het repressief optreden.

De memorie van toelichting van de wet heeft het over ‘het breed interpreteren van het voorkomen van terrorisme’. Dit betekent dat de wet dus ook als zuiver preventief kan worden geïnterpreteerd.

Dat blijkt overigens ook uit het feit dat het de burgemeester of een afgevaardigde van de burgemeester is die een sturende rol moet spelen in de LIVC. “Het is niet de politie die coördineert. Er mogen overigens geen andere veiligheidsdiensten dan de politie aan het overleg deelnemen. Inlichtingendiensten zijn bijvoorbeeld niet welkom. Er bestaan immers lokale task forces waarin zij samen met andere veiligheidsdiensten kunnen afstemmen.”

Problemen door beroepsgeheim

In de praktijk blijkt echter dat de diverse sociaal-preventieve organisaties vaak niet aanwezig zijn op het overleg. “Dat is natuurlijk erg jammer, net omdat de finaliteit van een LIVC in belangrijke mate op het preventieve aspect ligt. Het ligt vooral moeilijk omwille van het beroepsgeheim. Een dergelijk overleg kan pas werken als de deelnemers informatie gaan delen. Daar wordt vanuit de organisaties die preventief werken, argwanend naar gekeken”, stelt De Waele. Toch zouden ze beter wel altijd aanwezig zijn.

LIVIC 2

De Waele geeft een concreet voorbeeld. “Ik heb weet van cases waarbij jongeren die werden besproken op een LIVC op lijsten van het OCAD terechtkwamen, zonder dat ze daar stricto sensu op thuishoren. Door preventief te werken kunnen we er net voor zorgen dat jongeren niet radicaliseren. Ironisch genoeg zijn die jongeren op een lijst van verdachten gekomen net omdat de sociale organisaties omwille van het wantrouwen rond het beroepsgeheim niet naar het overleg wilden komen. Als ze daar wel waren geweest, dan waren de jongeren niet nodeloos op die lijsten gekomen. Als de informatie in een LIVC enkel wordt bekeken vanuit een veiligheidsbril, omdat nu eenmaal enkel die profielen rond de tafel zitten, dan gebeuren dat soort dingen”, zegt De Waele.

In principe zouden de issues rond het beroepsgeheim inmiddels van de baan moeten zijn. “De LIVC-wet laat toe dat leden tijdens de vergaderingen hun beroepsgeheim kunnen schenden. De zogenaamde ‘Potpourri V-wet’ creëerde vorig jaar al een basis voor de schending van het beroepsgeheim, maar voor de concrete toepassing moest het overleg een wettelijke basis hebben of kon het georganiseerd worden met toestemming van de Procureur des Konings.

In enkele gemeenten werden ondertussen protocolakkoorden gesloten met de Procureur des Konings, maar de wetgever lijkt nu dus voor een sluitend kader te zorgen.” Helaas lijkt nog niet alles opgelost: de nieuwe wet LIVC creëert weliswaar een basis van geheimhoudingsplicht voor alle deelnemers, maar voor de concrete invulling voor deelnemers die onder de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten vallen, dienen decreten aangepast te worden.

Geen tijd voor vergaderingen

Los van het feit dat leden uit sociaal-preventieve organisaties nu geen formele problemen meer hebben met het beroepsgeheim, blijft het vertrouwen natuurlijk een belangrijke rol spelen. Ze mogen dan wel bepaalde informatie delen, maar ze gaan dat natuurlijk alleen maar doen wanneer ze weten dat daar vertrouwelijk mee wordt omgesprongen en dat het de relatie met hun cliënten niet op de helling zet.

Een andere reden waarom een aantal meer sociaal ingestelde organisaties niet aanwezig zijn, is omdat hun werking op bovengemeentelijk niveau wordt georganiseerd. “Een OCMW heb je in elke gemeente, maar een CAW niet. Het is voor hen vaak moeilijk om naar vergaderingen in elke gemeente te komen. Daar hebben ze vaak geen tijd voor.” Dat argument geldt ook voor andere ad hoc deelnemers. Ook scholen en bijvoorbeeld vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen kunnen op uitnodiging deelnemen aan het overleg, hoewel daar geen wettelijk kader voor bestaat. “Het blijft moeilijk om hen daarbij te betrekken, ook al omdat de vergaderingen vaak doorgaan tijdens de werkuren”, weet De Waele.

En toch blijft het nodig om sociaalpreventieve partners te betrekken in de LIVC’s.

“Er is soms nog een switch van mindset nodig: de politie wordt te vaak gepercipieerd als een repressieve actor. Dat is in de werkelijkheid natuurlijk niet altijd zo. Community policing is voor de lokale politie erg belangrijk, maar net omdat de actoren elkaar niet zo goed kennen, is er nog te veel wantrouwen om samen te zitten. Dat leidt ertoe dat er in heel wat gemeenten nog geen volledige samenstelling is.”

Inspiratie uit het buitenland

De oudste cellen zijn die in de pilootsteden. Die zijn al actief van voor de omzendbrief van 21 augustus 2015, waarin de strijd tegen foreign terrorist fighters wordt aangekondigd met een eerste vermelding van de LIVC’s. Concreet gaat het dan om steden als Antwerpen, Vilvoorde, Mechelen en Genk. Dat waren de steden waar men jongeren naar Syrië zag verdwijnen en waar men de nood voelde tot een ketenaanpak, zelfs zonder het bestaan van een wettelijk kader.

Maar er moeten toch voorbeelden zijn van samenwerking in het buitenland?

“Zeker in de Scandinavische landen bestaat er zo’n lange traditie. Reeds in 1977 zijn er netwerken opgestart waarbij scholen en gemeentebesturen met politie en sociale partners samenzitten in het kader van criminaliteitspreventie.

Zo bundelde de Deense stad Aarhus in 2007 de krachten met politiediensten en sociale partners in de strijd tegen radicalisering en gewelddadig extremisme. Het Aarhusmodel bouwt in essentie verder op de klassieke criminaliteitspreventieve methoden. Het fenomeen radicalisering wordt hierdoor op dezelfde manier bekeken als andere criminaliteitsfenomenen. Radicalisering wordt er behandeld vanuit criminaliteitspreventie en vanuit de kwetsbaarheid van het individu. Terwijl radicalisering bij ons toch eerder als veiligheidsvraagstuk wordt bekeken.

LIVIC 3

Er is dus nog werk aan de winkel, maar het staat natuurlijk buiten kijf dat de politie een belangrijke meerwaarde biedt binnen de werking van de LIVC’s. De Waele geeft een concreet voorbeeld. “Stel, iemand van het OCMW bezoekt een cliënt die mogelijk geradicaliseerd is. Dat kan een risico inhouden voor die consulent. De politie kan het OCMW aanraden om de zaken zus of zo aan te pakken, of om bijvoorbeeld back-up te voorzien als dat nodig zou zijn.”

Kwetsbare familie Syriëstrijders

Een andere belangrijke rol voor de politie ziet De Waele in het kader van de nazorg, ter ondersteuning van de familie. De politie heeft een sterke ervaring in slachtofferbejegening. “In verschillende gemeenten nam men het initiatief om mensen van het OCMW of de gemeenten samen met de lokale politie naar de familie van Syriëstrijders te sturen. Die mensen zijn vaak ook slachtoffers. De ouders weten vaak niet wat er met hun zoon of dochter is gebeurd. Het is een kwestie om in heel het begeleidingstraject een voet binnen te krijgen. Zo krijgt de familie het signaal: “Weet dat we er ook zijn voor u”. Het is geen geheim dat ook broers en zussen van Syriëstrijders zeer kwetsbaar zijn.”

Als expert radicalisering heeft De Waele een aantal tips en tricks om de werking te verbeteren. “Het is eerst en vooral cruciaal dat er gewerkt wordt aan het opbouwen van vertrouwen tussen de partners. Het werkt pas goed als er op gemeenschappelijke doelen wordt gewerkt en wanneer bepaald is wie welke rol gaat opnemen.”

Vertrouwen: het blijft een begrip dat gedurende heel het gesprek terugkomt. Het voorbeeld van het pv dat werd opgesteld nadat informatie gedeeld werd binnen het LIVC komt nog een paar keer ter sprake. Het belang van vertrouwen tussen de partners en de waarborg dat informatie binnenskamers blijft, is dus cruciaal.

“Maar het zal altijd schipperen blijven tussen een preventieve en repressieve aanpak”, besluit De Waele. Een andere uitdaging waar de LIVC’s voor staan, wordt overigens de verschuiving van de doelgroep.

“De LIVC’s werden opgericht om een antwoord te bieden op de Syriëstrijders, maar die zijn er nu minder en minder. Het wordt een interessante oefening om na te gaan of ze zich ook op andere radicale doelgroepen kunnen richten, zoals bijvoorbeeld organisaties als Schild & Vrienden.”

Bron: Politiejournaal

Ook interessant

Politie & veiligheid

Ariadne nr. 2 - Officier van bestuurlijke politie

Franky Goossens
Jean-Claude Gunst

Bestel

Politie & veiligheid

Educatieve maatregelen voor verkeersovertreders

Ludo Kluppels

Bestel

Politie & veiligheid

Bestuurlijke aanpak van criminaliteit door informatie-uitwisseling

Ronny Saelens

Bestel

Politie & veiligheid

Statuut - Administratief en syndicaal statuut

Eddy Branckaute

Bestel

Politie

11 Jun

Seminarie: De vernieuwde camerawetgeving

Locatie: Uitgeverij Politeia, Keizerslaan 34, 1000 Brussel

Prijs: € 169

Schrijf u in