Menu

‘Naastenliefde’ vult gaten in het welzijnswerk op

Duizenden onbetaalde welzijnswerkers springen noodgedwongen bij waar de overheid tekortschiet. Vijftig onderzoekers en praktijkwerkers gunnen ons in het boek ‘Sociaal schaduwwerk’ een unieke inkijk in het schaduwspel van de welzijnssector.

08-03-2019 -

Zitten we op een kantelmoment in de tijd, waarbij nieuwe experimenten en sociaalwerkpraktijken worden opgezet door informele spelers in de schaduw van het sociaal werk? En zien we een herhaling van de vernieuwingsbeweging in de jaren 1970 en ’80, toen in het sociaal werk allerlei nieuwe initiatieven aan de oppervlakte kwamen, zoals wijkgezondheidscentra, de integratiepioniers en de hulpverleningsinitiatieven die later uitmondden in de hedendaagse Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW)?

Het zijn die vragen die nazinderen na het lezen van het boek ‘Sociaal schaduwwerk’, over informele spelers in het welzijnslandschap (Politeia).

“Wanneer jij en ik in een bepaald Brussels restaurant binnenkomen, dan is dat gewoon een restaurant”, steekt onderzoekster Mieke Schrooten (Odisee hogeschool & Universiteit Antwerpen) van wal. “Maar tegelijk hebben nieuwkomers uit Guinee bijna allemaal het adres van dat restaurant op zak. Dat komt omdat ze weten dat daar op de bovenverdieping mensen opgevangen worden voor een paar dagen. Zo zijn er in Brussel veel van die adresjes, boven kapperszaken of winkels met specifieke producten bijvoorbeeld.”

Maar juist omdat die organisaties niet gesubsidieerd worden als welzijnswerk, maken ze geen deel uit van de formele welzijnssector.

Vermaatschappelijking

Dat zogenaamd informele sociaal werk, door burgers voor andere burgers, is eigenlijk een vorm van ‘vermaatschappelijking’ van de zorg. Dat is een visie op welzijn waarbij de zorg voor kwetsbare burgers niet alleen door professionals gebeurt, maar de hele samenleving zorg draagt voor het welzijn van mensen. Het is het speerpunt van het Vlaams welzijnsbeleid van minister Jo Vandeurzen (CD&V). Maar tegelijk mag het geen excuus zijn voor een zich terugtrekkende overheid, waarschuwen sociale wetenschappers in hun nieuwe boek ‘Sociaal schaduwwerk’.

“Het hele verhaal van vermaatschappelijking van de zorg hangt wel samen met dat van een terugtrekkende overheid”, zegt Mieke Schrooten. “Je ziet dat heel wat initiatieven ontstaan op plaatsen waar de overheid zich terugtrekt, zoals bij de situatie in het Maximiliaanpark, of waar het reguliere sociaal werk niet de doelgroep bereikt die noden heeft. Of omdat een doelgroep zijn weg niet vindt naar een formele organisatie of omdat die formele organisatie niet aan hun noden beantwoordt.”

Veel van die spelers belichamen dan wel de vermaatschappelijking van de zorg, ze worden te weinig in die rol erkend, terwijl ze zich vaak wel gedwongen voelen om die zorgende en sociale rol op te nemen. “Die deïnstitutionalisering heeft positieve kanten, maar de informele spelers mogen geen excuus zijn om op een goedkopere manier een beter aanbod te voorzien. Als je vindt dat mensen minder in instellingen moeten verblijven, dan moeten ze in hun netwerk terecht kunnen. Maar voor veel mensen in Brussel zijn die netwerken niet sterk. Velen kennen hun buren niet of hebben geen familiale netwerken. Dat moet je in het achterhoofd houden.” Informeel sociaal werk bevindt zich juist op het snijvlak tussen wat de gemeenschap voorziet en de zorg voor iemand die je kent.

Het Brusselse voorbeeld maakt deel uit van een grotere informele ‘aankomstinfrastructuur’ die heel belangrijk is voor nieuwkomers. Maar die organisaties behoren niet tot het erkende gesubsidieerde welzijnswerk. Ze maken deel uit van een omvangrijke groep informele spelers die welzijnstaken opnemen omdat de overheid tekort schiet. En vaak onzichtbare bouwstenen leggen om rechten op te bouwen voor nieuwkomers in de stad.

“Hulp bieden aan een ander met wie je niet rechtstreeks verbonden bent (zoals wel het geval is bij mantelzorg) is uiteraard niet nieuw”, gaat Mieke Schrooten verder. “Verschillende wereldgodsdiensten hebben dat net geformuleerd als een taak voor een gelovige, naastenliefde of caritas, en in de Islam is het ook één van de vijf zuilen.”

Veel van die informele spelers richten zich dan wel op nieuwkomers in de samenleving, toch werken ze niet exclusief voor die doelgroep. “Er zijn bijvoorbeeld veel sportclubs die door de overheid als sportclub worden aanzien, maar die tegelijk heel vaak aan sociale begeleiding doen. Denk maar aan de ‘Brussels Boxing Academy’ of de ‘City Pirates’ in Antwerpen. Die organisaties krijgen enkel subsidies voor hun sportieve rol, maar worden niet gefinancierd voor de sociale functie. Terwijl zij die rol minstens zo belangrijk vinden als de sportieve.” Een ander voorbeeld is ‘Mangoboom in Bloei’ in Anderlecht, dat taallessen en naschoolse huiswerkbegeleiding organiseert als basisdienstverlening én hefboom voor interculturele ontmoeting aan burgers van tientallen nationaliteiten.

Verhard migratiediscours

Maar ook het verharde discours tegenover migratie speelt een rol in de groei van informele spelers. “Er is de laatste jaren meer een assimilatiediscours gevoerd en migratie wordt niet bepaald in een positief daglicht gesteld, niet in het minst door de ministers die daarmee bezig zijn. In veel religieuze gemeenschappen wordt dat beeld overigens net omgedraaid: een migrant is hier met een missie. Migratie wordt dus als iets positiefs gezien.”

Dat zorgt er meteen voor dat veel van die organisaties net niet op zichzelf terugplooien. “Er zijn veel initiatieven die inzetten op ontmoeting om dat negatieve verhaal te doorbreken.”

Maar het harde discours en het gewijzigde beleid zorgen er ook voor dat zelforganisaties van etnisch-culturele minderheden nog moeilijker aan middelen geraken, wat hun zichtbaarheid en erkenning beperkt. Tegelijk, zo ervaren wetenschappers en praktijkwerkers, ontstaan en groeien die etnisch-culturele organisatie naarmate het inburgerings- en integratiebeleid verengd wordt tot taalverwerving en lessen maatschappelijke oriëntatie.

Uiteenlopende thema’s

De informele spelers werken rond uiteenlopende thema’s en beperken zich niet tot het welzijnswerk. Verschillende informele spelers richten zich op sociaal-sportieve initiatieven, burgerinitiatieven rond de meest uiteenlopende thema’s zoals mobiliteit of luchtvervuiling, zijn etnisch-culturele zelforganisaties of religieuze verenigingen.

In het boek passeren tientallen van die organisaties de revue. “Ik was verrast door de diversiteit aan thema’s, en dat is ook de rode draad in heel het verhaal”, zegt Mieke Schrooten.  “Sommige organisaties bestaan uit één of twee mensen, andere zijn dan weer heel groot. Sommige organisaties werken heel lokaal en andere net transnationaal.”

Zo circuleren er bijvoorbeeld dagelijks berichtjes op WhatsApp of Viber met een oproep tot financiële steun voor geloofsgenoten die ergens ter wereld geopereerd moeten worden of worden er liefdadigheidsavonden met modedéfiles of muziekoptredens georganiseerd om geld in te zamelen naar aanleiding van een humanitaire ramp of oorlogssituatie.

Maar al die organisaties, klein en groot, worden voor hun werk niet gesubsidieerd als welzijnswerk en maken dus geen deel uit van de formele sector. Ze worden vaak ook niet naar waarde geschat door de formele sector, en dat is ook grotendeels het gevolg van hun onzichtbaar werk.

“Ik was verrast hoeveel vragen er nog waren over het thema”, zegt Mieke Schrooten over de manier waarop het formeel sociaal werk naar die informele spelers kijkt. “Er zijn een aantal organisaties die al jarenlang met informele spelers samenwerken, maar ik was vooral verrast over het zoekende vanuit die formele organisaties. Zien die het belang wel?

Tegelijkertijd beperken ze ook het belang. Ze zien in die informele spelers vooral een rol als gids omdat zij een aantal groepen niet bereiken, maar de informele spelers wel. Dat is vaak ook hun eerste reflex, terwijl veel informele spelers vinden dat ze meer dan toeleiders zijn. Die evenwaardigheid is een uitdaging, want beide hebben een andere achtergrond en financiën.

Onbekend maakt onbemind

Formele welzijnsorganisatie zijn dus vaak niet vertrouwd met de informele spelers. Maar er bestaan vooroordelen vanuit de twee kanten. “Vanuit de formele sector worden vooral vragen gesteld over het professioneel en ethisch handelen. Werken ze volgens de normen die wij willen hanteren? Omgekeerd is er soms ook de kritiek dat het betaalde sociale werkers aan engagement ontbreekt. Ze wijzen erop dat formele organisaties een afgebakende opdracht hebben en wat daarbuiten valt niet opgepikt wordt.

Bovendien, en dat geldt specifiek voor zelforganisaties van etnisch-culturele minderheden, wordt soms gevreesd voor het bestaan van parallelle samenlevingen. Toch blijken die zelforganisaties juist bruggen te bouwen tussen minderheids- en meerderheidsgroepen. Dat komt omdat ze vooral werken aan het verbeteren van de leefsituatie van hun leden in de Belgische samenleving.

Maar daar worden de informele spelers te weinig in (h)erkend, zo blijkt uit de ervaringen van praktijkwerkers. In tegenstelling tot het formeel sociaal werk, door de overheid erkende en gesubsidieerde organisaties, zijn de informele spelers in het welzijnslandschap ook niet in kaart gebracht. Formele organisaties vragen ook vaak om een informele sociale kaart. “Maar dat is niet evident omwille van de grote turnover. Informele organisaties bestaan soms heel kort, spelen direct in op een nood en hebben een beperkt aanbod.”

Duizenden

Toch zijn er al verschillende pogingen ondernomen om zicht te krijgen op dat schaduwwwerk. Sociologe Rebecca Thys, mede-auteur van het boek ‘Sociaal schaduwwerk’, telde bijvoorbeeld in haar doctoraatsonderzoek, in Brussel alleen al 650 organisaties van Congolese origine, 650 met een Marokkaanse en 200 met een Turkse achtergrond.

Sommige organisaties bestaan uit één of twee mensen, andere zijn heel groot. Sommige zijn heel amateuristisch, anderen juist professioneel. Het Minderhedenforum schat dat er in Vlaanderen tussen de 2.000 en 3.000 lokale verenigingen van -alleen al- mensen met een migratie-achtergrond actief zijn. Ook daar is de variatie bijzonder groot.

“Deze organisaties in kaart brengen voelt als een ‘mission impossible’, maar het belangrijkste is dat we telkens opnieuw verhalen horen over hoe essentieel en belangrijk die organisaties zijn”, zegt onderzoekster Mieke Schrooten. “Als je kijkt naar een Facebookgroep van Brazilianen in Brussel bijvoorbeeld, dan was dat bij iedereen van die groep dé belangrijkste plek om informatie te krijgen. Het gaat dan om antwoorden op vragen zoals ‘kan ik huwen met een Belg om een verblijfsstatuut te krijgen?’ of ‘kan ik bij iemand logeren want ik kom hier net aan?’. Tegelijk circuleerde daar ook veel foute informatie.”

Ander subsidiesysteem

Het gebrek aan financiële middelen zorgt ervoor dat veel informele spelers niet kunnen doorgroeien tot professionele organisaties. De structurele ondersteuning van dergelijke organisaties zou dus beter kunnen, maar dat vergt een andere kijk op de subsidiesystemen.

“We doen een oproep om een soort horizontaal subsidiekader uit te werken, want nu is dat kader heel verkokerd. Organisaties moeten voortdurend aan projecten schrijven om te overleven en moeten financiering uit verschillende hoeken halen. Mijn oproep is: werk meer samen vanuit de departementen en voorzie ook het geïntegreerde van dat verhaal. Dat zal een uitdaging worden voor het nieuwe beleid. Maar tegelijk is het een stedelijke realiteit en de realiteit van vandaag.

Maar er zijn nog andere knelpunten, zoals de manier waarop de overheid haar subsidiekanalen bekendmaakt en organiseert. “Ook de taal die wordt gehanteerd in zo’n oproep is heel specifiek jargon. In de praktijk hebben deze informele organisaties niet veel kans om veel van die middelen binnen te halen. Ook de projectmatigheid van veel gesubsidieerde projecten zorgt voor een structurele onzekerheid.”

De Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) heeft er al in haar beleidsplan over geschreven. Alleszins is er in Brussel een openheid en zijn er al experimentele projecten geweest, waarvan de financiering ondertussen is stopgezet. Maar ondertussen kan de regelgever er niet meer omheen: het thema is op de agenda gezet.

Toch staan informele spelers niet altijd te hengelen naar overheidsmiddelen, want dan dreigen ze een deel van hun eigenheid te verliezen. “Ze moeten opleveren voor bepaalde doelen, aan allerlei eisen voldoen en op die manier worden ze in een keurslijf geduwd.”

Bij de professionalisering van het welzijnswerk loeren trouwens ook de gevaren van ‘managerialisme’ en ‘vermarkting’. Het eerste leidt tot vervreemding tussen hulpverleners en cliënten. De (dreigende) vermarkting staat vaak haaks op de complexe behoeften, waarschuwen de auteurs.

Sociaal Schaduwwerk. Over informele spelers in het welzijnslandschap. Samengesteld door Mieke Schrooten, Rebecca Thys en Pascal Debruyne, is uitgegeven bij Politeia en kost 24,99 euro.

Ook interessant

Sociaal beleid & werk

Wegwijzer naar een integrale hulpverlening - 7de ed.

Ria Vandaele

Bestel uw printeditie

Sociaal beleid & werk

Bouwen aan een breed sociaal beleid

Peter Cousaert
Hans Grymonprez

Bestel uw printeditie

Omgeving, Sociaal beleid & werk

100 basisbegrippen over sociaal wonen in Vlaanderen

Andy Dilles

Bestel uw printeditie

Sociaal beleid & werk

Bouwen aan diversiteit: Inspiratie voor een lokaal integratiebeleid

Bestel uw printeditie

Sociaal beleid

11 Dec

Filantropisch congres Pelicano: 10 jaar strijd tegen armoede

Locatie: Paleis der Academiën, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Herstogstraat 1, 1000 Brussel

Prijs: € 225

Schrijf u in