Menu

Motivatie van leerlingen in de eerste graad

In dit artikel zoomen we in op de jongeren in de eerste graad secundair onderwijs. We bieden een beschrijving van wie deze leerlingen zijn. We bespreken de motivatie van deze leerlingen, zoals die bevraagd werd in het LiSO-onderzoek. Deze schets kan gebruikt worden om deze generatie jongeren beter te begrijpen, maar ook om te vergelijken met andere generaties of leeftijdscategorieën.

19-12-2019 -

Het LiSO-project (Loopbanen in het Secundair Onderwijs) is een grootschalige studie waarin een cohorte van bijna 6500 leerlingen gevolgd worden doorheen hun loopbaan in het secundair onderwijs (www.lisoproject.be).

Wat is motivatie?

Motivatie is een complex psychologisch fenomeen waarvan geen eenduidige definitie bestaat. Lange tijd maakte men in onderwijs het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Als een leerling spontaan geïnteresseerd is om iets te leren, dan is die leerling intrinsiek gemotiveerd.

Als een leerling enkel studeert om mooie rapportcijfers te behalen, omdat zijn ouders hem daartoe verplichten of omdat hij een beloning krijgt voor goede punten, dan is die leerling extrinsiek gemotiveerd.

Intrinsieke motivatie verwijst naar het willen uitvoeren van een activiteit omwille van de activiteit zelf. Bij extrinsieke motivatie is de activiteit geen doel op zich, maar een middel om iets te verkrijgen. Geleidelijk aan bleek deze tweedeling tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie niet toereikend om het brede gamma aan motivaties te beschrijven.

De meest invloedrijke recente theorie over motivatie, de zelfdeterminatietheorie, beschrijft daarom drie verschillende types van extrinsieke motivatie.

  • De zelfdeterminatietheorie maakt een onderscheid tussen gecontroleerde en autonome motivatie (Vansteenkiste, Sierens, Soenens & Lens, 2007).
  • Gecontroleerde motivatie wordt bepaald door externe factoren (‘moeten’).
  • Autonome motivatie daarentegen wordt gekenmerkt door keuzevrijheid en ongedwongenheid (‘willen’). Vooral autonome motivatie wordt in verband gebracht met positieve effecten op prestaties en andere niet-cognitieve uitkomsten.

Hoe is de motivatie van de leerlingen in de eerste graad?

De autonome motivatie daalt significant doorheen de eerste graad: van 3,93 bij de start van het secundair onderwijs tot 3,47 op het einde van het twee jaar secundair onderwijs.

Verschillen tussen leerlingen in motivatie?

We onderzoeken in hoeverre (de daling in) autonome motivatie samenhangt met vier leerlingkenmerken: geslacht, thuistaal, stroom en aanvangsprestaties wiskunde.

  • Jongens en meisjes verschillen wat betreft (de evolutie in) motivatie. Meisjes hebben een hogere autonome motivatie dan jongens. De gender gap in autonome motivatie wordt groter tijdens de eerste graad. Dat betekent dat de autonome motivatie een sterkere daling vertoont bij de jongens dan bij de meisjes.
  • Ook de thuistaal van de leerling hangt samen met de mate van autonome motivatie. Anderstalige leerlingen hebben gemiddeld genomen een hogere mate van autonome motivatie op elk meetmoment.
  • Bovendien daalt de autonome motivatie bij anderstalige leerlingen iets sterker tijdens het eerste jaar, maar iets minder sterk tijdens het tweede jaar.
  • Verder blijkt dat er bij de start van het secundair onderwijs geen significant verschil is in autonome motivatie tussen leerlingen in 1A en 1B. Maar de autonome motivatie van leerlingen in 1A daalt sterker. Aan het eind van de eerste graad zijn leerlingen die startten in 1B gemiddeld genomen meer autonoom gemotiveerd.
  • We onderzochten ook of het wiskundeniveau van de leerling bij de start van het secundair onderwijs samenhangt met de mate van autonome motivatie. Gemiddeld genomen vertonen zwakke, gemiddelde en sterke presteerders voor wiskunde een gelijkaardige mate van autonome motivatie.

Enkel op het einde van het eerste jaar zijn er verschillen tussen de drie groepen leerlingen qua autonome motivatie. Sterke presteerders vertonen op dat moment een iets lagere mate van autonome motivatie. Dit verschil is echter tijdelijk; op het einde van het tweede jaar secundair onderwijs is de autonome motivatie voor alle groepen gelijkaardig.

Verschillen tussen scholen in motivatie?

De verschillen tussen scholen voor wat betreft de autonome motivatie van hun leerlingen is zeer klein. Ongeveer 1% à 2% van de verschillen in autonome motivatie bij leerlingen is toe te schrijven aan de instelling waar ze schoollopen. Dat betekent dat de variatie in autonome motivatie vooral gesitueerd is binnen elke school. In elke school zijn er zowel hooggemotiveerde leerlingen als laaggemotiveerde leerlingen. 

Meer informatie? Check onze publicatie Leerlingen vandaag
Auteurs: Bieke De Fraine, Katrijn Denies & Jonas Dockx

Ook interessant

Onderwijs

Buiten de school(m)uren

Marianne Coopman
Marc Van den Brande

Bestel

Onderwijs

Professionalisering op school (Tweede herwerkte editie)

Andries Valcke
Jimmy De Wandel
Wilfried De Rijck

Bestel

Onderwijs

Toetswijzer voor de lagere school

Bestel

Onderwijs

AliASS

Paulette De Caluwe
Hilde Meganck
Carine Michiels
Joke Pauwels

Bestel

Onderwijs

Portfolio Studiegebied Personenzorg BSO

Inneke Fichefet
Mariëtte Mollu

Bestel