Menu

Contactopsporing: juridisch bijsturen nadat de trein al vertrokken is

Door het nieuws over het coronavirus te volgen, zijn we tijdens de voorbije maanden allemaal een beetje viroloog en misschien nog iets meer epidemioloog geworden. En zo hebben we geleerd dat bij het hervatten van het sociaal leven de kans op besmetting onvermijdelijk toeneemt, maar dat het mogelijk is de pandemie toch te beheersen door aan ‘contact tracing’ te doen.

27-05-2020 -

Door op een gerichte wijze contact op te nemen met alle personen met wie een besmette patiënt tijdens de incubatieperiode en in het begin van de ziekte in contact kwam, kan gevraagd worden dat ook die mogelijke risicopersonen getest worden en zich maximaal voorzichtig gedragen zodat de kansen op verdere besmetting beheerst worden.

Het is een oude techniek die reeds langer gebruikt wordt bij besmettelijke ziektes zoals tuberculose en die nu veel breder uitgerold zou moeten worden, en mogelijks ondersteund zou kunnen worden met de wonderen van de techniek. Via ‘contact tracing apps’ zouden de dragers van smartphones kunnen aanvaarden dat geregistreerd wordt dat zij in de fysieke nabijheid zijn geweest van personen die hetzelfde of een gelijkaardig systeem gebruiken. Die registraties kunnen dan gebruikt worden om iedereen die in de nabijheid was van een potentieel besmettelijke persoon (al dan niet anoniem) te waarschuwen.

In de maand april woedde over dergelijke contact tracing apps wereldwijd een boeiend maatschappelijk, ethisch en juridisch debat. Ook de mogelijke conformiteit met de GDPR werd grondig onderzocht. Over dergelijke digitale contactopsporingsapplicaties bracht de European Data Protection Board een advies uit op 14 april. Een week nadien (op 21 april) volgden reeds echte richtlijnen voor de GDPR-conforme ontwikkeling van dergelijke systemen. De Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit bracht op 28 april een advies uit over een voorontwerp van volmachtsbesluit over digitale contactopsporingsapplicaties.

Hoewel er diverse concrete applicaties uitgewerkt waren en de organisatorische en juridische voorbereidingen ver gevorderd waren, werd plots beslist om niet meer in te zetten op degelijke digitale contactopsporing en in te zetten op een nationale databank van besmette en mogelijke besmette personen in combinatie met een systeem van zogenaamde manuele contactopsporing waarbij door geïndividualiseerde telefonische vraagsessies gepoogd wordt na te gaan met wie de besmette persoon contact had zodat ook die personen gericht geadviseerd kunnen worden.

De uitwerking hiervan werd meteen beïnvloed door de complexe bevoegdheidsverdeling in het federale België. De gemeenschappen zijn bevoegd voor de preventieve gezondheidszorg. De federale overheid is bevoegd voor de “nationale maatregelen inzake profylaxis”. Op basis van de adviezen van de Raad van State wordt aanvaard dat het opsporen van besmettelijke ziekten en het voorkomen van de besmetting van andere personen tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. Bij een pandemie blijft de federale overheid bevoegd voor de noodzakelijke crisismaatregelen. De beknopte regeling in de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen werd in 2016 zo concreet mogelijk uitgewerkt in een protocolakkoord.
Binnen die krijtlijnen werd, met de snelheid die onvermijdelijk is bij een crisis, overeengekomen dat de gegevens over de besmette personen ingezameld zouden worden in een databank bij het federale Sciensano en dat contactopsporing door de gewesten georganiseerd zou worden.

De organisatie diende snel in elkaar getimmerd te worden en ook voor de uitwerking van het juridisch kader was er haast.

De databank bij Sciensano werd opgericht op grond van een volmachtsbesluit van 4 mei 2020. Dat KB nr. 18 hield gedeeltelijk rekening met een advies dat de Gegevensbeschermingsautoriteit uitbracht op 29 april 2020. Opmerkelijk is dat het om een zeer tijdelijk juridisch kader gaat. Het besluit “houdt op uitwerking te hebben op 4 juni” en voorziet dat alle ontvangen persoonsgegevens gewist moeten worden vóór 9 juni. Dat is niet omdat men hoopt dat de Covid-19-pandemie tegen dan volledig bezworen zal zijn, maar omdat minister De Backer beloofde dat over de materie een volwaardig parlementair debat gevoerd zou worden. Op 14 mei werd door tien volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel ingediend waarbij de tekst van het volmachtsbesluit eenvoudig hernomen werd.

Langs Vlaamse zijde werd op 6 mei 2020 een decreet aangenomen “tot organisatie van het contactonderzoek in het kader van COVID-19”. Dat decreet heeft een zeer tijdelijk bestaan gekend. Op 20 mei (amper twee weken later!) werd het reeds opgeheven door een nieuw decreet “tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van Covid-19”, dat nog na de indiening grondig geamendeerd werd om rekening te houden met het advies van de Vlaamse Toezichtscommissie over de Verwerking van Persoonsgegevens. Ook over het federaal wetsvoorstel werden inmiddels een reeks amendementen ingediend.

De bijsturing en verfijning van het juridisch kader kwam er in de loop van het proces om rekening te houden met de adviezen van de Gegevensbeschermingsautoriteit en de Vlaamse Toezichtscommissie en om duidelijkheid te geven over de mogelijkheden om zonder schending van het beroepsgeheim gezondheidsgegevens aan de databank van Sciensano over te maken.

De amendementen die hangende zijn in de federale kamer houden rekening met de opmerkingen van de Gegevensbeschermingsautoriteit en zijn geïnspireerd door de protesten die onder meer door de Ligue des droits humains werden geformuleerd onder het motto “Tracer le Covid, pas les citoyens”. Opmerkelijk is dat de onrust niet zozeer veroorzaakt is door de grootschalige inzameling van gezondheidsgegevens (laboresultaten en diagnoses), maar wel door de inzameling van de zogenaamde contactgegevens.

Tijdens het contactonderzoek kan immers informatie over de intieme kring van de betrokken personen vernomen worden. En mogelijk ook indicaties over het niet-naleven van de contactbeperkingen die ons tijdens deze pandemie opgelegd werden.
Tijdens het publieke debat bleek hoezeer de sensitiviteit van gegevens niet enkel bepaald is door het statuut dat zij in de GDPR hebben, maar ook door de subjectieve perceptie. In deze bijzondere periode wordt het door veel mensen niet als problematisch ervaren dat geweten is dat zij besmet zijn of geweest zijn met COVID 19, maar het kan wel als een verregaande inmenging in het privéleven beschouwd worden dat men moet antwoorden op vragen over de personen waarmee men (mogelijks risicovol) contact heeft gehad.

Leerrijk is ook de noodzaak om in debatten over gegevensbescherming niet enkel volwaardig rekening te houden met de GDPR, maar ook met de klassieke regelgeving rond het beroepsgeheim. Zo ontstond naar aanleiding van een artikel in de Juristenkrant van Tom Goffin heel wat onrust over de vraag of artsen en laboratoria wel klinische gegevens mogen overmaken aan de Sciensanodatabank. Hoewel de beraadslaging van het Informatieveiligheidscomité en de bepalingen van het KB nr. 18 wel een voldoende toelating in de zin van art. 458 Strafwetboek vormen, was er inderdaad geen duidelijke verplichting geregeld en kon gediscussieerd worden over de noodzaak om dat decretaal te regelen.

Het Vlaams Parlement stuurde bij door na twee weken zijn eigen decreet over het contactonderzoek te herzien en de meldingsplicht te regelen. Nu kan ook het federaal parlement nog het KB nr. 18 bijsturen. Dat zal snel moeten gaan, want het “houdt op uitwerking te hebben op 4 juni”.

Auteur: Tom Balthazar, Hoofddocent gezondheidsrecht UGent

Ook interessant

Recht

E-government in het federale België

Dirk De Bot

Bestel

Recht

De Salduzregeling - theorie en praktijk, vandaag en morgen

Bestel

Recht

Hergebruik overheidsinformatie

Frankie Schram

Bestel

Bestuur & organisatie, Communicatie & informatie, Omgeving, Personeel, Politiek, Recht, Sociaal beleid & werk

Extenso

Bestel

Privacy & persoonsgegevens

20 Oct

Opleiding: Toegang tot persoonsgegevens in burgerzaken

Locatie: Uitgeverij Politeia, Keizerslaan 34, 1000 Brussel

Prijs: € 125

Schrijf u in